Visie

HET ZORGBELEID VAN ONZE SCHOOL
Met deze visietekst willen we als team ons zorgbeleid kaderen.
De tekst omvat twee grote delen:

1. Onze algemene visie op leerlingenzorg.
2. De invulling in onze school.

1. Algemene visie op leerlingenzorg.
In de omzendbrief BaO / 2003 / 02 van 18/04/2003 betreffende de hertekening van het onderwijslandschap basisonderwijs worden zorgtaken op 3 niveaus gesitueerd:
- Coördinatie op schoolniveau
- Ondersteuning van het handelen van leerkrachten
- Het begeleiden van leerlingen.
Ons zorgbeleid wil vorm krijgen door gerichte acties op deze 3 onderscheiden, maar niet te scheiden terreinen.
Het wil zoeken naar een voortdurende afstemming tussen het pedagogisch-didactisch aanbod en de behoeften van de leerlingen. De zorg naar leerlingen wil niet alleen zoeken naar oplossingen voor problemen, maar mee instaan voor de preventie ervan. Ze dient ervoor te zorgen dat elk kind de meest optimale kansen krijgt om de eindtermen te behalen, ook de meest kwetsbare leerlingen.
Het zorgbeleid moet bijgevolg niet naast het opvoedings- en onderwijsgebeuren een plaats krijgen maar er integraal deel van uitmaken, onderdeel zijn van de dagelijkse werking.

De interne zorg voor leerlingen (en leerkrachten) moet ‘gedragen’ worden. Daarom is deze zorg niet de zaak van één persoon, maar van een team.
Naast de onontbeerlijke planmatige en systematische aanpak proberen we onze zorg te vertalen naar een manier van omgaan met leerlingen, naar een ‘zorgzame sfeer’ die voelbaar wordt en niet alleen maar meetbaar.

2. De invulling in onze school.

Het zorgbeleid binnen onze school is gebaseerd op ‘handelingsgericht werken’ van Pameijer en van Beukerin.

Geïntegreerde zorg op school wordt voorgesteld in een omgekeerde piramide en ingedeeld in 4 fases.

Fase 0: Goede preventieve basiszorg.
Meer nog dan de andere ‘fases’ binnen onze zorgbrede aanpak is het bieden van preventieve basiszorg een zaak van het hele team. Preventieve zorg voor alle leerlingen begint bij een goede school- en klasorganisatie, een veilig klimaat, effectieve instructie, een leerkrachtige omgeving, …

Fase 1: Verhoogde zorg.
Er wordt verhoogde zorg geboden aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. De klasleerkracht (mogelijk ondersteund door leden van het zorgteam) voorziet hierin.
Deze ‘verhoogde zorg’ situeert zich nog steeds op klasniveau. Het gaat hier bijvoorbeeld om: differentiatie in het onderwijsaanbod volgens de behoefte van de leerling, groepering van leerlingen met gelijke onderwijsbehoeften, verlengde instructie voor bepaalde leerlingen,…
De ouders worden hierover geïnformeerd.

Fase 2: Uitbreiding van de zorg.
Voor sommige leerlingen volstaat de verhoogde zorg op klasniveau niet (meer) en moet er individueel bijgestuurd worden in het leerproces.
Vanaf deze fase gaan we over naar individueel gerichte handelingsplanning (en ook het CLB start een begeleidingsdossier). Belangrijk is dat alle partijen betrokken worden bij deze planning.

Fase 3: Overstap naar een school op maat.
In deze fase blijkt de begeleiding onvoldoende afgestemd op de specifieke onderwijsbehoeften van een bepaalde leerling om maximale ontplooiingskansen te bieden. De betrokkenen zijn het erover eens dat een overstap naar een andere school het kind de meeste kansen biedt.

Binnen elk van deze fases in het zorgtraject trachten we steeds uit te gaan van de volgende zes uitgangspunten:

1. We werken met systematische procedures.
Door te werken met systematische procedures proberen we het in kaart brengen van problemen objectiever en vollediger te maken. Zo vermijden we zorg op basis van veronderstellingen.

2. We zijn gericht op beslissen en adviseren.
Met ons handelen hebben we als doel een advies te geven waarmee de leerkracht, de ouders, het kind zelf, … aan de slag kunnen. Het is geen algemene aanbeveling, maar een aanbeveling op maat.
Dat betekent dat we niet alles testen, maar alleen datgene wat nodig is om doelgericht te adviseren of te beslissen.

3. We gebruiken een transactioneel referentiekader.
We stellen ons steeds de vraag: Waarom heeft dit kind, in deze school, met deze leerkracht, met deze medeleerlingen, met … de gesignaleerde problemen en hoe kunnen deze problemen worden opgelost?
Dat betekent dat niet alleen het kind bekeken wordt, maar ook de onderwijsleersituatie, de interactie met leerkracht en medeleerlingen, de gezinssituatie, … Dit gebeurt door observaties in de klas en op de speelplaats.

4. We werken constructief samen met alle betrokkenen.
In onze school trachten we voldoende afstemming te vinden tussen de hulpvragen van de leerkrachten, ouders en kinderen door daadwerkelijk samen te werken.
De leerkracht, het CLB en de zorgcoördinator zien we als de ‘onderwijsprofessionals’. Zij weten welke aanpak het beste werkt bij deze leerling. Zij hebben zicht op de onderwijsleersituatie en op de veranderingsmogelijkheden daarin. Ze blijven dus verantwoordelijk voor beslissingen over het onderwijsaanbod en de begeleiding op school.
De ouders worden in deze samenwerking gezien als de ‘ervaringsdeskundigen’. Zij kennen hun kind het beste en het langste. Ouders zijn (tot het tegendeel bewezen is) zorgzaam en competent, hebben het beste met hun kind voor en zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid.
Ook met de kinderen zelf dragen actief bij aan hun onderwijsleer- en opvoedingssituatie. Ook met hen praten we over de problematiek en mogelijke oplossingen.

5. We besteden aandacht aan positieve kenmerken.
In onze school vinden we een positieve bril belangrijk!
Ieder kind (en iedere ouder), hoe lastig of langzaam lerend ook, heeft leuke en sterke kanten. Die zijn relevant voor de diagnostiek en goed te benutten in een handelingsplan.

6. We werken vanuit onderwijsbehoeften.
In onze school is het de bedoeling om na een advies te handelen.
Daarom formuleren we een advies in behoeften van een leerling. Aan die behoefte koppelen we concrete acties.

7. De leerkracht doet ertoe.
De leerkrachten realiseren passend onderwijs en leveren daarbij een cruciale bijdrage aan een positieve ontwikkeling van leerlingen op het gebied van leren, werkhouding en sociaal-emotioneel functioneren. Dit geldt zowel voor het omgaan met de diversiteit in de klassengroep (bvb. preventie en differentiatie) als voor het omgaan met meer specifieke behoeften van leerlingen.

Om het onderwijs- en opvoedingsaanbod beter af te stemmen op wat leerlingen nodig hebben, moeten ook de ondersteuningsbehoeften van leerkrachten een duidelijke plaats krijgen in een handelingsgerichte zorgwerking.